Alle artikelen

12 mei 2026 · 6 min leestijd

Wat Costa Rica mij leerde over ecosystemen

Costa Rica is een klein land, maar zodra je erdoorheen reist voelt het verrassend groot. Niet door de afstanden, maar door de verschillen. Binnen een paar uur verandert het landschap volledig. Van vochtige nevelwouden naar droge bossen.

Wat Costa Rica mij leerde over ecosystemen

Costa Rica is een klein land, maar zodra je erdoorheen reist voelt het verrassend groot. Niet door de afstanden, maar door de verschillen. Binnen een paar uur verandert het landschap volledig. Van vochtige nevelwouden naar droge bossen. Van mangroves naar vulkanische hellingen. Van regenwoud naar kust.

Overal lijkt de natuur opnieuw te hebben bedacht hoe leven zich organiseert.

Wat mij tijdens onze vakantie vooral raakte, was niet alleen de rijkdom van die natuur. Het was de manier waarop al die ecosystemen naast elkaar bestaan. Soms scherp gescheiden. Soms langzaam in elkaar overlopend. Soms verbonden door rivieren, wind, vogels, insecten of zaden. En soms bijna afgesloten, alsof ieder gebied zijn eigen logica, tempo en spelregels heeft.

Dat deed mij denken aan ecosystemen van samenwerkende organisaties.

Ook daar praten we vaak over “het ecosysteem” alsof het één geheel is. Het innovatie-ecosysteem. Het arbeidsmarktecosysteem. Het zorg-ecosysteem. Het food-ecosysteem. Maar in werkelijkheid bestaat zo’n ecosysteem meestal uit meerdere sub-ecosystemen. Rond kennisinstellingen. Rond ondernemers. Rond overheden. Rond financiers. Rond onderwijs. Rond maatschappelijke organisaties.

Ieder met een eigen klimaat. Een eigen taal. Eigen routines. En een eigen definitie van succes.

De vraag is dan: moeten al die ecosystemen altijd met elkaar verbonden zijn?

Voor veel professionals is de eerste neiging om te zeggen: ja, natuurlijk. Meer verbinding is beter. Meer samenwerking leidt tot meer impact. Maar Costa Rica laat iets genuanceerders zien. Niet elk ecosysteem hoeft volledig met elk ander ecosysteem verbonden te zijn. Juist verschillen zorgen voor veerkracht. Een nevelwoud werkt anders dan een mangrove. Een koraalrif vraagt iets anders dan een vulkanische helling. Als alles één gladgestreken geheel wordt, verdwijnt juist de kracht van variatie.

Dat geldt ook voor organisaties. Een universiteit hoeft niet te functioneren als een start-up. Een gemeente hoeft niet te denken als een investeerder. Een maatschappelijke organisatie hoeft niet dezelfde snelheid of risicobereidheid te hebben als een scale-up.

De kracht van een ecosysteem zit niet in het opheffen van verschillen, maar in het productief maken ervan.

Tegelijkertijd kan te weinig verbinding leiden tot stilstand. Dan blijven ideeën hangen in hun eigen biotoop. Kennis bereikt de praktijk niet. Ondernemers vinden de juiste faciliteiten niet. Beleidsmakers spreken over systeemverandering, maar missen de signalen van mensen die dagelijks met de uitvoering bezig zijn. Dan ontstaan er geen vruchtbare overgangen, maar harde grenzen.

In de natuur zijn juist de overgangszones vaak interessant. De randen tussen bos en rivier. Tussen land en zee. Tussen droog en nat gebied. Daar ontstaat beweging. Daar ontmoeten soorten elkaar. Daar vindt uitwisseling plaats. Niet omdat alles hetzelfde wordt, maar omdat verschillen elkaar kunnen raken.

Voor samenwerkende organisaties zijn zulke overgangszones minstens zo belangrijk. Denk aan fysieke plekken waar mensen elkaar vanzelf tegenkomen. Aan gezamenlijke programma’s waarin verschillende organisaties tijdelijk aan één opgave werken. Aan mensen die meerdere werelden begrijpen en kunnen vertalen. Aan gedeelde data, rituelen, bijeenkomsten, financiering of governance.

Het zijn de rivieren, wandelpaden en windstromen van een organisatorisch ecosysteem.

Of sub-ecosystemen elkaar weten te vinden, hangt af van de afstand tussen die werelden. In de Nationale Monitor Alliantiecompetenties van AlliantiePartners kijken we daarbij naar vijf vormen van afstand en nabijheid: fysieke, sociale, cognitieve, organisatorische en institutionele afstand.

Die vijf vormen helpen om scherper te zien waar samenwerking vastloopt. Want “meer verbinden” klinkt mooi, maar is vaak te algemeen. De echte vraag is: welke afstand moeten we overbruggen?

Allereerst is er fysieke nabijheid. Komen partijen elkaar letterlijk genoeg tegen? Delen ze plekken, bijeenkomsten, werkruimtes of momenten waarop toevallige ontmoetingen kunnen ontstaan? In een hybride wereld is fysieke nabijheid misschien minder doorslaggevend dan vroeger, maar ze blijft belangrijk. Niet omdat iedereen altijd bij elkaar moet zitten, maar omdat samenwerking vaak begint met herkenning. Met gezichten. Met herhaling. Met even blijven hangen na afloop.

Daarnaast is er sociale nabijheid. Kennen mensen elkaar goed genoeg om elkaar te vertrouwen? Is er genoeg relatie om iets te durven delen, iets te gunnen of samen risico te nemen? Zonder sociale nabijheid blijft samenwerking vaak instrumenteel. Dan zijn er wel overleggen, maar geen echte verbinding. Wel afspraken, maar weinig eigenaarschap. Wel contact, maar weinig onderling vertrouwen.

Een derde vorm is cognitieve nabijheid. Begrijpen partijen elkaars taal en manier van denken? Veel ecosystemen lopen vast omdat organisaties dezelfde woorden gebruiken, maar iets anders bedoelen. Innovatie, impact, opschaling, governance, eigenaarschap: het klinkt gedeeld, maar de betekenis verschilt per organisatie. Een ondernemer denkt bij tempo aan weken. Een overheid denkt al snel in besluitvormingsrondes. Een kennisinstelling denkt in zorgvuldigheid, validatie en publiceerbaarheid. Niemand heeft daarin automatisch gelijk of ongelijk. Maar zonder vertaling ontstaat misverstand.

Dan is er organisatorische nabijheid. Zijn er structuren die samenwerking herhaalbaar maken? Denk aan duidelijke rollen, gezamenlijke agenda’s, besluitvorming, financiering, overlegstructuren en ondersteuning. Zonder organisatorische nabijheid blijft samenwerking afhankelijk van toevallige enthousiastelingen. Dan gaat het goed zolang een paar mensen energie hebben, maar zakt het weg zodra zij vertrekken, druk worden of andere prioriteiten krijgen.

Tot slot is er institutionele nabijheid. Passen de spelregels, belangen en verantwoordingslogica’s voldoende bij elkaar? Een gemeente moet publieke waarde en rechtmatigheid kunnen uitleggen. Een ondernemer moet snelheid maken en klanten vinden. Een onderwijsinstelling moet leerwaarde organiseren. Een investeerder kijkt naar risico en rendement. Die institutionele verschillen zijn niet verkeerd. Ze zijn juist de reden waarom samenwerking waardevol kan zijn. Maar als ze onbesproken blijven, worden ze een bron van frustratie.

Zo bezien gaat ecosysteemontwikkeling niet simpelweg over meer verbinding. Het gaat over het gericht verkleinen van de juiste afstand.

Soms is fysieke nabijheid nodig: een plek waar werelden elkaar vaker raken. Soms is vooral sociale nabijheid nodig: vertrouwen, informele ontmoeting en relaties die tegen een stootje kunnen. Soms gaat het om cognitieve nabijheid: gedeelde taal en beter begrip van elkaars perspectief. Soms om organisatorische nabijheid: heldere afspraken, rollen en structuren. En soms om institutionele nabijheid: erkenning van elkaars opdracht, belangen en grenzen.

Maar zelfs als de condities aanwezig zijn, verandert een ecosysteem zelden vanzelf. Daar zijn triggers voor nodig.

Soms is dat urgentie: een crisis, een subsidie, een marktkans of een maatschappelijk probleem dat te groot is voor één partij. Soms is het verlies: een voorziening verdwijnt, een gebouw komt vrij, een bedrijf vertrekt, een kans dreigt gemist te worden. Soms is het juist verbeelding: een nieuwe plek, een gedeeld verhaal of een ambitie die partijen boven hun eigen belang uittilt.

En soms is de trigger simpelweg een ontmoeting op het juiste moment. Iemand die twee werelden aan elkaar koppelt. Een gesprek waarin partijen ineens zien dat hun afzonderlijke puzzelstukken samen een groter geheel vormen.

Wat Costa Rica mij vooral leerde, is dat ecosystemen niet maakbaar zijn als een organogram. Je kunt ze niet volledig ontwerpen, uitrollen of beheersen. Je kunt ze wel beter begrijpen. Je kunt condities creëren. Verbindingen versterken. Overgangen vruchtbaarder maken. En soms bewust afstand respecteren.

Want niet alles hoeft verbonden te worden. Sommige verschillen zijn waardevol. Sommige grenzen beschermen juist de eigenheid en kracht van een sub-ecosysteem. Maar waar verbinding nodig is, moet zij wel worden verzorgd.

Een gezond ecosysteem is dus geen systeem waarin iedereen voortdurend met iedereen samenwerkt. Het is een systeem waarin verschillen mogen bestaan, maar waarin voldoende routes zijn voor uitwisseling, aanpassing en gezamenlijke groei.

Misschien is dat wel de belangrijkste les uit Costa Rica: biodiversiteit ontstaat niet door alles gelijk te maken. Ze ontstaat door variatie, verbinding en de juiste condities.

En precies daar ligt ook de opgave voor ecosystemen van samenwerkende organisaties.

Niet alles verbinden. Niet alles loslaten. Maar leren zien welke afstand ertoe doet — en wat nodig is om die zorgvuldig te overbruggen.


Meer leren over samenwerken in allianties en ecosystemen?

In onze masterclass Samenwerken in allianties en ecosystemen gaan we dieper in op dit soort vragen. Hoe bouw je aan vertrouwen tussen organisaties? Wanneer is meer verbinding helpend, en wanneer juist niet? Welke vormen van afstand zitten samenwerking in de weg? En welke competenties zijn nodig om beweging te brengen in een ecosysteem dat vastzit?

Voor professionals die werken aan maatschappelijke opgaven, innovatie, arbeidsmarkt, onderwijs, zorg of regionale samenwerking is dit geen abstracte vraag. Het is dagelijkse praktijk.

De kunst van ecosysteemontwikkeling begint niet met iedereen aan elkaar verbinden. Ze begint met beter kijken: welke werelden raken elkaar al, welke blijven te ver uit elkaar, en waar kan gerichte nabijheid het verschil maken?